Hoe het hart begon te kloppen.
Voor de 17de eeuw wist men niet beter of het menselijk lichaam had geen bloedsomloop. De artsen van de oude Grieken en Romeinen, maar ook nog de medicijnstudenten aan de Europese universiteien in de Middeleeuwen, werd geleerd dat alles wat beweegt in het menselijk lichaam, met inbegrip van het leven zelf, werd aangedreven door drie geesten. De aderen vervoerden de natuurgeest, de slagaderen de levensgeest en de zenuwen de dierlijke geest vanuit de hersenen. Zolang deze oude ideeën bleven voortbestaan was begrip van het leven, vanuit een medisch of wetenschappelijk standpunt, onmogelijk. Er was alleen en spiritueel perspectief. Daardoor werden meer dan duizend jaar lang slechts geringe vorderingen gemaakt in het begrip van de basisfuncties van het menselijk lichaam, en stierven miljoenen mensen tengevolge van deze medische onwetendheid.
Tot in 1628 èèn man alles veranderde. Toen publiceerde William Harvey (1578-1657) zijn boek "De beweging van hart en bloed bij dieren". In dit boek maakte hij voor het eerst duidelijk dat het hart de motor van het vaatstelsel is en dat de bloedsomloop, en niet de levensgeesten, de oorzaak van het leven zijn.
Vooral de bereidheid van Harvey om vraagtekens te plaatsen bij de leerstellingen van de duizend jaar oude medische dogma's, en om alles te verwerpen wat niet door feiten gestaafd werd, was van groot belang. Het levenswerk van deze man markeerde het einde van de Middeleeuwen der geneeskunde. Hij bestudeerde de beweging van het hart bij dieren en voerde opvallend eenvoudige en logische experimenten uit om het bestaan van de bloedsomloop te bewijzen, bijvoorbeeld door een band zo lang strak om de arm te binden dat er geen polsslag meer te voelen was.